Oude Nieuwe Gasthuis

E-mail Print PDF
There are no translations available.

In 1985 werd de eerste opgravingcampagne gestart naar de resten van één van de oudste ziekenhuizen van Nederland: het in 1252 gestichte Heilige Geest gasthuis, dat bijna 700 jaar lang aaneengesloten op die plek bleef bestaan. Meer campagnes (1986-1987 en 1993) zijn sindsdien gevolgd en hebben delen van de kapel, het grafveld en de ziekenzalen blootgelegd. Er moeten nog steeds belangrijke delen van het terrein worden onderzocht om het beeld te completeren, maar hier wordt alvast een voorlopig resultaat van het onderzoek gegeven.

Het gasthuis is gesticht in of vlak voor 1252 en stond tussen de Koornmarkt en de Brabantse Turfmarkt, in het zuidoosten van het gebied dat in 1246 stadsrechten had gekregen. Dit deel van de jonge stad Delft was toen nog onbebouwd, want bij het archeologische onderzoek zijn geen oudere bewoningssporen op deze plek aangetroffen. Van de eerste onderkomens van het gasthuis zijn bij de opgravingen evenmin nog sporen aangetroffen.

In 1343 werden enkele aaneengesloten percelen land gekocht om het gasthuiscomplex uit te breiden. Dit complex bestond toen uit vier hoofdonderdelen: een hospitaal voor de zieken, een baaierd waar de zwervers in werden onder gebracht, een kapel en een begraafplaats. Met de aankoop kwam grond beschikbaar waarop extra gebouwen konden worden gezet, waaronder onderkomens voor de staf. De onderdelen van het complex die archeologisch zijn onderzocht, worden hieronder beschreven.

Afbeelding ONGdelf0221b.jpg (Plattegrond van het gasthuiscomplex met daarop aangegeven de opgegraven funderingen. Tekening: Vakteam Archeologie Delft. Boven de ziekenzaal met binnenplaats, onder de kapel. Legenda: 1. Opgegraven funderingen; 2. beerput; 3. waterput; 4. kelder.)

 

Kapel
In 1264 kreeg het klooster toestemming voor de bouw van de kapel bij het gasthuis.
Van de oudste kapel werd tot nu toe het oostelijke gedeelte opgegraven. Het westelijke gedeelte bevindt zich nog onder de bestaande bebouwing aan de Koornmarkt.
Van de oudste kapel werd het koor, de fundering van het altaar en een deel van het schip teruggevonden. De koorsluiting was rechthoekig en van binnen 6,6 m breed en 4,5 m lang. Het schip van de oudste kapel was binnenwaarts minimaal 8,5 m breed.

In het koor werd de fundering van het altaar gevonden met daarin nissen waarin mogelijk relikwieën werden bewaard. Tussen de altaarruimte en het gedeelte van het schip bevond zich een scheidingswand. In deze periode was het gebruikelijk dat het schip van de kerk als ziekenzaal werd gebruikt.
In 1433 werd het gasthuis bezocht door bischop Gillys uit Utrecht die het altaar "beneden tchoir an die noortside" kwam inwijden. Laatstgenoemde vermelding wijst mogelijk op juist afgesloten bouwaktiviteiten op het gasthuisterrein, maar zeker is dit niet.

Op grond van het gebruikte baksteenformaat blijkt dat in het tweede kwart van de vijftiende eeuw de kapel rigoureus is uitgebreid. Het schip is in zuidelijke richting verbreed tot ca 12,5 m en in oostelijke richting verlengd tot juist voorbij de oude koorafsluiting. Het nieuwe koor is 9 m breed en 18 m lang en heeft een vijfzijdige afsluiting. Tegen de buitenzijde van het koor zijn rondom steunberen aangebracht. Tussen twee van deze steunberen was een knekelhuis gebouwd waarin geruimde skeletten werden opgeslagen. Wat afmetingen betreft was de gasthuiskapel toen in grootte het derde kerkgebouw in Delft.

Afbeelding ONGdelf0222b.jpg (Overzichtstekening van de aangetroffen funderingen en putten van de gasthuiskapel en bijgehorende zalen. Het bovenste gedeelte van de kapel is in 1985 opgegraven.
Vakteam Archeologie Delft.
Legenda: 1. Funderingen circa 1260; 2. Funderingen circa 1300; 3. Funderingen tweede helft veertiende eeuw; 4. Funderingen circa 1400; 5. Funderingen tweede kwart vijftiende eeuw; 6. Funderingen tweede helft vijftiende eeuw; 7. Beerput; 8. Uitbraaksleuf.)

De ruimten ten zuiden van de kapel
Ten zuiden van de kapel werden twee grote beerkelders aangetroffen. Deze behoorden bij de gebouwen die ten zuiden van de kapel stonden. Deze gebouwen en de inhoud der putten zijn door bouwactiviteiten in de twintigste eeuw grotendeels verloren gegaan. De meest zuidelijke beerkelder bleek drie keer verbouwd te zijn door de put aan de westzijde in te korten. De oudste fase van de put dateert uit ongeveer 1300, de tussenfase uit de tweede helft van de veertiende en de jongste aanlegfase uit het einde van de vijftiende eeuw. Ten noorden van deze beerput lag een andere beerkelder uit ongeveer 1400.
Volgens historische bronnen zouden de kapel en de gebouwen aan de zuidzijde in gebruik zijn geweest voor de opvang van vrouwelijke patiënten en bevond zich daar later de kamer van de regenten.

De mannen ziekenzaal
Ten noorden van de kapel werd omstreeks 1400 een grote rechthoekige beerkelder aangelegd. Het bleek de voorbode van een grootschalige uitbreiding die min of meer gelijktijdig plaats vond met de vergroting van de kapel. Er werd een groot rechthoekig gebouw rondom een gesloten binnenplaats van 7 x 13 m gezet. De vleugels rondom de binnenplaats waren 5 m breed. Op de binnenplaats lag een grote beerkelder en de centrale waterput. Deze ruimtes waren bedoeld voor de opvang van de mannelijke patiënten.

Begraafplaats
De begraafplaats lag ten oosten van de oudste kapel, op het binnenterrein van het gasthuis. Vanaf 24 oktober 1265 verkreeg men toestemming voor de aanleg van een kerkhof waarop de broeders en zusters van het gasthuis en de armen mochten worden begraven. Er zijn resten van meer dan duizend individuen geborgen.

Omstreeks 1350 was de oude begraafplaats vol, wat noodzaakte tot uitbreiding. Op 7 juli 1351 werd een nieuwe begraafplaats van het gasthuis gewijd door de bisschop van Utrecht. Drie dagen later wijdde hij ook de grond binnen de kapel in als begraafplaats. De plaatsen binnen de kapel waren mogelijk bedoeld om rijkere overledenen te begraven. Pas in 1422 blijkt dat het gasthuis ook toestemming had om andere categorieën doden te begraven, maar onduidelijk is of dit recht al eerder, bij voorbeeld in 1351 bestond.

Het begraafrecht bleef officiëel tot 1652 in stand. Vanaf tenminste 1658 werden alle doden van het gasthuis bijgezet op de begraafplaats van het nieuwe pesthuis buiten de Oostsingel. Er zijn zowel historische als archeologische aanwijzingen dat de begraafplaats op het gasthuisterrein toen al enige tientallen jaren buiten gebruik was geraakt. Zo ontbreken bij voorbeeld de kenmerkende slijtagesporen van het pijproken op de gebitten van de overledenen, terwijl roken rond 1620 al ruimschoots was ingeburgerd geraakt. Mogelijk werden ze toen begraven nabij het pesthuis bij de Doelen.

De graven
Als gevolg van de natte en kleiige bodem is het merendeel van de organische resten van bot, hout en leer goed geconserveerd bewaard gebleven. Alleen in de bovenste grondlagen, waar zuurstof makkelijker in de bodem kon toetreden, waren de conserveringsomstandigheden minder gunstig voor het botmateriaal en de kisten. Veel graven waren nog in takt aanwezig, tenzij ze door latere graven of bouwactiviteiten waren verstoord.

De meeste begravingen hebben plaatsgevonden volgens de gangbare Christelijke gewoonten. Dit betekent dat het stoffelijk overschot werd bijgezet in een rechthoekige kist, liggend op de rug, met het hoofd naar het westen en de voeten naar het oosten. De armen lagen bijna altijd gestrekt langs het lichaam, maar soms lag één of beide handen op de buik of op de heup. Bijgiften in het graf ontbraken. Ook kledingresten of attributen als gespen die kleding bijeen hield werden niet aangetroffen. Dit betekent dat de doden niet in hun dagelijkse kloffie werden begraven, maar waarschijnlijk in een (linnen) doodskleed. Slechts één individu werd met zijn leren schoenen aan begraven.

Een variant op deze begraafwijze is ter aarde bestelling zonder kist. Deze gewoonte is speciaal aangetroffen bij de groep van oudste graven die tot in de vaste grond liggen en dus behoren tot de oudste graven van het grafveld. De grafkuil neemt in die gevallen ruwweg de vormen van de overledene aan.

Afbeelding ONGA4254.JPG en ONGA0822.JPG (Drie van de oudste skeletten die zonder kist in de klei zijn begraven, Vakteam Archeologie) en (graven met kisten)

Het model kist en de houtsoort waarvan deze gemaakt was wijzigden in de loop der tijd. De kisten van de oudste graven zijn vaak gemaakt van eikenhout en soms van beukenhout. In de latere periode, na 1351, zijn de meeste kisten van grenenhout en van zilverspar gemaakt. De zijwanden van de latere (naaldhouten) kisten lopen meestal naar het voeteneinde taps toe, terwijl de oudere modellen doodskisten meer rechthoekig zijn. Bovendien bestaat de bodem van de kist van de jongere graven uit meerdere dwarsliggende planken, terwijl bij de oudste kisten de bodem meestal uit één of twee planken in de lengterichting van de kist bestaan. Deze ontwikkelingen wijzen op een toenemende schaarste aan het betere (eiken)hout en op toepassing van resthout voor het fabriceren van doodskisten.

De doden
Het grafveld geeft belangrijke informatie prijs over tal van kenmerken van de toenmalige Delftnaren. Ruim 170 graven die dateren vanaf 1265 tot in het begin van vijftiende eeuw bleken geschikt te zijn voor nader onderzoek naar leeftijd, geslacht en lichamelijke kenmerken. Bijna 170 graven uit de periode tussen 1351 en grotendeels zelfs van na het tweede kwart van de vijftiende eeuw en ongeveer 1620 voldoen ook voor een dergelijk onderzoek, zodat er een vergelijking kan worden gemaakt waaruit mogelijke veranderingen door de tijd kunnen worden vastgesteld.

In beide fasen van het grafveld komen zowel mannen als vrouwen in gelijke mate voor. Kinderen vormen een sterke minderheid. Dit is onlogisch voor de middeleeuwse samenleving, daar de kindersterfte toen hoog was. Kinderen maakten waarschijnlijk nauwelijks deel uit van de gasthuispopulatie. Vanaf de vijftiende eeuw bestonden er bij voorbeeld al gespecialiseerde instellingen als weeshuizen, terwijl kinderen uit gezinnen waarschijnlijk thuis werden verpleegd.

Een steekproef leert dat bij de volwassenen de man gemiddeld 43 jaar oud werd en de vrouw in de vroegste periode 47 en later 49 jaar. De gemiddelde lichaamslengte van de man bedroeg bijna 172 cm die van de vrouw 162 cm. Deze lichaamslengtes zijn voor Europese middeleeuwse begrippen fors te noemen en getuigen van een relatief goede voeding, ondanks de lage sociale status die aan de doden kan worden toegeschreven.

Van ernstige ziekten als gevolg van ondervoeding (Engelse ziekte) en slechte huisvesting (tbc) is geen sprake geweest, hoewel individueel verschillende ongemakken of gebreken aan het licht zijn gekomen. Dit geeft in relatieve zin een positief beeld over de gezondheidstoestand van de Delftenaren, zelfs als ze uit de onderste lagen van de bevolking kwamen.

Gebruiksvoorwerpen
Er zijn twee beerputten teruggevonden die behoorden bij de mannenslaapzaal. Gebruiksvoorwerpen uit deze putten geven een indicatie over het dagelijks leven in het gasthuis. De oudste beerput dateert uit de vijftiende eeuw, de andere uit de zeventiende eeuw. Een vergelijking van de inhoud van beide putten laat de veranderingen in de tijd binnen het gasthuis zien in de organisatie van de ziekenzorg, in de voedselbereiding, de consumptie en de medische verzorging van de patiënten.

Globaal kunnen deze veranderingen worden gekarakteriseerd als een overgang van veel variatie van het gebruiksgoed in de vijftiende eeuw naar standaardisatie in de zeventiende eeuw.
Een belangrijk deel van het tafelgerei bestond uit kommen en potten waaruit brei- en soepachtige producten werden gegeten. Compacte spijzen als vis en vlees werd vaak van houten planken dan wel van aardewerken borden of schalen gegeten.
Er zijn opvallende verschillen tussen het gebruik van het vaatwerk in de vijftiende eeuw en de zeventiende eeuw die herleid kunnen worden tot een andere vorm van organisatie in het gasthuis. Zo aten in de vijftiende eeuw de patiënten nog vaak uit de kookpotten waarin het voedsel vanuit de keuken werd aangevoerd, of werden door familieleden tijdens ziekenbezoek meegebracht. In de zeventiende eeuw komt het keukengoed niet meer in de ziekenzaal terecht en eet men met specifiek tafelgerei: eetkommen, schalen en borden van gestandaardiseerde afmetingen. Dit komt overeen met de zeventiende-eeuwse bronnen die stellen dat de patiënten allen dezelfde maaltijden en even grote porties kregen toebedeeld.

Wat vormgeving betreft verschillen de vijftiende-eeuwse gebruiksvoorwerpen in het gasthuis nauwelijks met het vaatwerk uit de doorsnee Delftse huishoudens uit diezelfde tijd. Daarentegen is in de zeventiende eeuw het assortiment vaatwerk in het gasthuis gestandaardiseerd. De eetkommen, schalen en eetborden zijn uniform uitgevoerd en klaarblijkelijk als één partij bij één pottenbakker door het gasthuis besteld. Elke patiënt beschikte toen over een standaarduitrusting die minimaal bestond uit een etensbord, een (pap)kom en een pispot.

Afbeelding ONGB5123.JPG (een pispot)

De functie van het teruggevonden eetgerei is gedurende die tijd nauwelijks gewijzigd, maar het assortiment eetgerei in het zeventiende-eeuwse gasthuis heeft daarentegen wel een veel geringere diversiteit gekregen en toont derhalve geen enkele overeenkomst met dat van het eetgerei uit de gewone huishoudens in Delft, die in de zeventiende eeuw juist een veel grotere variatie aan eetgerei hebben gekregen. Daar waar in de zeventiende eeuw de gewone huishoudens zich van de overige huishoudens steeds meer onderscheidden door hun individuele keuze van gebruiksgoed, is het individu in het gasthuis niet meer aan zijn gebruiksvoorwerpen herkenbaar.

In de vijftiende eeuw vinden we nog geen zalfpotten in de beerput. Mogelijk werd het smeren van zalven nog weinig toegepast. Ook is het mogelijk dat het verband in zalven was gedrenkt of dat de zalf rechtstreeks op het verband werd gesmeerd. In de zeventiende eeuw werden zalfpotten massaal in de ziekenzaal gebruikt.

Last Updated on Thursday, 16 December 2010 23:05  
Share to Facebook Share to Twitter Share to Linkedin Share to Google 

Blog Archeologie Delft

There are no translations available.

werkinuitvoering

Klik op het werk-in-uitvoering-icoontje om naar het weblog van Archeologie Delft te gaan