Inleiding opgraving Altena
Altena ligt in de Voordijkshoornsepolder in de nabijheid van de Kastanjewetering. Deze polder maakte juridisch onderdeel uit van de Vrijenban, gronden die oorspronkelijk tot de Hof van Delft hebben behoord. Altena was met de stad Delft verbonden via de Laan van Altena, van oorsprong bezit van het klooster Koningsveld.

Altena had ook een verbinding over water, namelijk via een zogenaamde kulk. Deze liep rechtstreeks vanaf de slotgracht naar het boezemwater van de Kastanjewetering.
Naast het kasteel lag een boerderij, de huidige Altenahoeve.
Op deze plek heeft waarschijnlijk altijd al een boerderij naast het kasteel gestaan, bedoeld voor de agrarische exploitatie van het landgoed.
Van 1969 tot 1978 en in 1991 werden opgravingen op Altena uitgevoerd.
Grote delen van het kasteel en het voorburchtterrein werden onderzocht.
Voorwerpen van aardewerk, glas, metaal, hout, been, textiel en leer uit 1250 tot 1750 kwamen hierbij aan het licht.
Er konden zes fasen onderscheidden worden.

Periode A: de pre-kasteelfase (circa 1250-1435)
Periode II: De eerste uitbreidingen (circa 1490-1530)
Periode III: Groei naar een maximale bebouwing (circa 1530-1573)
Periode IV: De herbouw van het huis Altena (1612-1765)
Opvallende vondsten
Periode A: de pre-kasteelfase (circa 1250-1435)
In de 13de eeuw werd op de plaats van het latere kasteel Altena een erf aangelegd door een perceel grond rondom te voorzien van een 3,5 m brede sloot of gracht. De afmetingen van het perceel zijn 30 x 20 m. Het binnenterrein werd met de uit de sloten vrijkomende grond opgehoogd. Op het verhoogde plateau zal een gebouw hebben gestaan, waarvan bij de opgravingen geen sporen zijn gevonden. Hoogstwaarschijnlijk zal dit gebouw nog grotendeels uit hout zijn opgetrokken. Uit deze vroege pre-kasteelfase zijn alleen kloostermoppen gevonden. Het gebouw was vermoedelijk oost - west georiënteerd.
Periode I: De stichting van het huis (1435-circa 1490)
In 1435 liet Gerrit Gerritsz. van Egmond een rechthoekig stenen huis op het noordoostelijke deel van een 30 x 37 m. groot omgracht perceel bouwen. Het huis is een zaalbouw van 7 x 14 m. groot en heeft bijna 60 cm. dikke muren. Het huis is oost - west georiënteerd en heeft tegen de noordwest hoek een stenen traptoren, die in de gracht uitsprong. Deze gracht was ongeveer 12 m. breed. De oneffenheden in het terrein waren voor de bouw van het stenen huis reeds geëgaliseerd. De voormalige sloot / smalle gracht om het zuidelijke perceel uit de pre-kasteelfase was inmiddels gedempt en er was een bijgebouw over de dichtgegooide gracht gebouwd.
Periode II: De eerste uitbreidingen (circa 1490-1530)
Tegen het einde van de vijftiende eeuw werd de bebouwing op het kasteeleiland uitgebreid tot een L-vormig gebouw. De bouwheer was zeer waarschijnlijk heer Gerrit van Nijeveld. Tegen de rechthoekige zaalbouw werd een vleugel langs de oostgracht aangebouwd. De dikte van de funderingen bedroeg 75 cm. De afmetingen van het gebouw waren 7,5 x 7,5 m.

Tegen de buitenkant van de zuidwesthoek van de westelijke muur van de nieuwe vleugel werd een ronde beerput ingegraven. Verder is op het binnenterrein nog een afvalkuil
aangetroffen die waarschijnlijk aan de laatste periode van deze bouwfase kan worden toegeschreven.
Mogelijk is ook rond dit tijdstip een vleugel langs de noordmuur aan de westzijde van het hoofdgebouw aangebouwd. "De boerderij" op het westelijke deel van het terrein was waarschijnlijk al verdwenen.
Periode III: Groei naar een maximale bebouwing (circa 1530-1573)
Een kwart eeuw later is de situatie opnieuw gewijzigd. Door de aanleg van een muur in het verlengde van de westmuur van de oorspronkelijke zaalbouw en die van een muur in het verlengde van de zuidmuur van de aanbouw ontstond een vierkant bebouwd blok. Daarvoor is de beerput tegen de oude aanbouw gedeeltelijk gesloopt en opgevuld met puin om de zuidmuur van dit nieuwe gebouw op te kunnen funderen.
De vergroting van de bouwmassa van het hoofdgebouw betekende waarschijnlijk de aanzet van een grootscheepse uitbreiding van het gehele kasteelcomplex. Waarschijnlijk heeft deze uitbreiding niet in één keer plaatsgevonden, maar was het een ontwikkeling die in meerdere etappes is uitgevoerd.
Uiteindelijk lijkt het gehele kasteelterrein ommuurd te zijn geweest. De gebouwen op de hoofdburcht bevonden zich alle met de rug tegen de ommuring en hadden hun zwaartepunt in het hoofdgebouw dat zich in de noordoosthoek van het kasteelterrein bevond. Ze omsloten een open binnenplaats. Alleen aan de westzijde is het onzeker of er ook een gebouw heeft gestaan. Het oude bijgebouw moet nu wel definitief van het terrein zijn verdwenen.
Aan de westzijde van het kasteelterrein is aan het einde van deze bouwperiode een nieuw eiland aangelegd met op de noordwesthoek een toren. Het is een die echter nooit lijkt te zijn afgebouwd. Het is logisch dat de toegang tot het eigenlijke hoofdterrein in de laatste fase via deze voorburcht heeft gelopen, maar de juiste plaats van die ingang is niet gevonden. Wat zich mogelijk aan de oostkant van dit eiland heeft bevonden, is onbekend. Wellicht stond daar de boerderij die bij het kasteel behoorde. Er kan dus ook een toegang aan die zijde van het kasteel hebben gelegen.
De voorburcht
Het onderzoek naar de voorburcht was noodzakelijk geworden door de aanleg van een nieuwe ingang voor de fabriek. In 1973 was op het terrein van de voorburcht een toren met aansluitend muurwerk opgegraven. Ook was er al een onderzoek ingesteld naar een deel van de 11 m. brede gracht tussen het kasteel en de voorburcht. Bij de jongste opgravingscampagne is het gehele voorburchtterrein onderzocht. De verwachting was dat er aansluitend muurwerk op de noordwesttoren zou worden aangetroffen en mogelijk de gebouwsporen van een boerderij die tot het Altenacomplex heeft behoord. Het onderzoek heeft aangetoond dat de voorburcht een eiland van 35 x 15 m. groot is geweest. Behalve een stukje fundering langs de westelijke gracht en langs de noordelijke gracht, zijn er geen muren aangetroffen.
Een nadere inspectie van het talud van het eiland heeft aangetoond, dat er inderdaad ook verder geen muren langs de grachtkant hebben gestaan. Vóór de nog resterende funderingen kwamen er tussen het puin ook dakleien voor; ernaast nam de hoeveelheid puin af en ontbreken de dakleien. Dit wijst erop dat de noordwesttoren en een direct daarop aansluitend gebouwtje met dakleien gedekt zijn geweest.
Dat er verder geen bebouwingssporen op het voorburchtterrein zijn aangetroffen, kan mogelijk als volgt worden verklaard. De toren en het aansluitende muurwerk zijn in het tweede of derde kwart van de 16e eeuw gebouwd (steenformaat: 20 x 10 x 4,5/5 cm.). De schaarse vondsten, voornamelijk bloempotten afkomstig uit de stortkoker van de toren, bevestigen dit. Klaarblijkelijk heeft de bouw gefaseerd plaatsgevonden en zijn de laatste fasen nooit uitgevoerd. Wel heeft men ter voorbereiding op de volgende bouwfase(n) de vorm van het eiland aangepast aan de afmetingen van het hoofdterrein door het eiland in zuidelijke richting te vergroten door middel van het dempen van de oudere sloten.
Ook is de zuidwesthoek van het eiland verstevigd met beschoeiingspalen om de aangeplempte grond op zijn plaats te houden. Verder is men niet gekomen en de bouwwerkzaamheden zijn waarschijnlijk nog in volle gang als ten gevolge van het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog het kasteel in 1573 in opdracht prins Willem van Oranje wordt ontmanteld. Het opgegraven terrein heeft derhalve een niet afgebouwde voorburcht opgeleverd.
De gracht rond het "voorterrein" is na 1600 gehandhaafd. Aanvankelijk heeft men sloopafval afkomstig van het hoofdterrein langs de zuidelijke en oostelijk oever van het voorterrein gestort.
Na 1600 heeft men rond deze puinstort beschoeiingen aangebracht die de nieuwe grachtkant moest verstevigen. Ook langs de westzijde van dit eiland zijn beschoeiingen aangebracht.

Plattegrond van de voorburcht van kasteel Altena Legenda : 1. vaste grond. 2. muurwerk, ,16de eeuw. 3. (mest)kuilen 13de-14de eeuw. 4. greppels, 13de 14de eeuw. 5. slotgracht, tweede helft 16de eeuw. Tekening H. Robbers, OWD
Op het "voorburchtterrein" zijn wel verschillende met mest gevulde kuilen en greppels aangetroffen die dateren uit de bewoningsfase die aan de bouw van het kasteel in 1435 vooraf gaat. Op grond van gevonden aardewerk dateren deze sporen vanaf het midden van de 13e eeuw. Uit het patroon van deze sporen en de kuilen en greppels die in 1978 op het terrein van de hoofdburcht zijn opgegraven, valt af te leiden dat de situering en afmetingen van de hoofd- en voorburcht zijn bepaald door een reeds bestaande verkaveling. Deze verkaveling kenmerkt zich door een structuur van kleine, rechthoekige percelen omgeven door sloten van 2-4 m. Een soortgelijk patroon is ook geconstateerd bij de voorafgaande bewoning aan het in 1976 opgegraven kasteel de Keenenburg te Schipluiden. Voor een deel hebben latere grachten dit patroon vergraven, voor een deel vallen de begrenzingen van sommige van de oude sloten en de latere grachten samen. Dit wijst erop dat veranderingen in de perceelindelingen tussen ongeveer 1250 en het einde van de 16e eeuw in kleine etappes hebben plaatsgevonden, daarbij voortbordurend op oudere structuren.
De oudste scherven tonen verder aan dat Altena niet kan worden gerekend tot één van de centrale hoven van de Hof van Delft van waaruit de omgeving werd ontgonnen. Daarvoor zijn de scherven te jong.
Ter hoogte van het rechthoekige gebouw op de noordoosthoek van het hoofdterrein is een werkput in de noordelijke slotgracht gegraven. Daarbij kwamen resten van een traptoren tevoorschijn, die reeds eerder waren aangetoond. In de grachtvulling voor deze toren zijn talloze gebruiks- en bouwvoorwerpen uit de 17e en 18e eeuw aangetroffen.
Einde Voorburcht
Op het kasteeleiland zijn diverse gebouwen te onderscheiden. Indien de vleugel langs de noordmuur niet reeds rond 1490 was gebouwd, stond deze in ieder geval wel in deze periode op het terrein. Als noodzakelijke opvolger van de ronde beerput uit de vorige periode is de polygonale beerput aan de zuidkant van de gebouwen gemaakt. Langs de oostgracht zijn twee gebouwen neergezet met een ronde beerput er tussenin. Ernaast is een gebouw tegen de oostmuur aangezet. Ten zuiden ervan verrees een langwerpig gebouw in de zuidoosthoek van het terrein. Ook langs de zuidmuur is een minstens één verdieping tellend gebouw neergezet. Op de zuidwesthoek van het eiland verrees een ronde toren.


Overzicht van de funderingen van het hoofdgebouw met aangebouwde vleugels
Altena tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1573-1612)
Willem van Oranje liet dit kasteel in 1573 afbreken, want de Spanjaarden mochten geen gelegenheid krijgen om vanuit Altena de stad aan te vallen.
Periode IV: De herbouw van het huis Altena (1612-1765)
In 1612 werd Altena herbouwd. Het uiterlijk had toen meer weg van een voornaam herenhuis dan van een kasteel. Van 1680 tot 1730 deed dit pand dienst als herberg en er was een rederijkerskamer gevestigd. Door de ligging van Kasteel Altena buiten de stadspoorten van Delft ontrok men zich aan betaling van stedelijke accijnzen. Toch takelde het pand steeds verder af. Het kwam leeg te staan en werd in 1761 afgebroken.
Opvallende vondsten:
De meeste vondsten kwamen tevoorschijn uit afvalkuilen, beerputten en de slotgracht, omdat de kasteelbewoners de gewoonte hadden afval via de ramen en stortkokers naar buiten te gooien.
Een bijzondere vondst van metaal is een versierd tinnen bakje dat mogelijk als vogeldrinkbakje is gebruikt. Bakjes in deze vorm zijn ook van aardewerk bekend, maar de tinnen exemplaren worden uitsluitend aangetroffen op vijftiende-eeuwse kasteelcomplexen zoals dat van het kasteel Palenstein in Zoetermeer en Huis ter Kleef in Haarlem.

Een andere bijzonder vondst is een fragment is van textiel. Het is een deel van een ceintuur van brokaat. Naast goudkleurige draden zijn er draden met een rode kleurstof gebruikt.

Onder de vondsten die op de bodem van de waterput, welke zich in het gebouw naast de zuidmuur van periode III bevond, lagen behoren een bijzondere tinnen snavelkan van een cilindrisch model. De wand is versierd met horizontale ribbels. Op het oor staat een merk in de vorm van een wapenschild. Op de bodem bevinden zich twee merken: een wapenschild met de initialen IP erboven en een gekroonde roos met links en rechts ervan onleesbare initialen.

Uit periode IV werd de loden piron gevonden die de bekroning van de torenspits vormde. Aan de piron waren eikenbladen als versiering gesoldeerd. Erop was een loden vogel bevestigd. Deze vogel heeft zijn kop terug gewend, zodat zijn lange kromme snavel zijn rug bijna raakt. De vogel had oorspronkelijk twee vleugels die in een gat in het lichaam waren vast gesoldeerd. Eén van de vleugels werd teruggevonden. Ook werden er loodslabben aangetroffen die de ribben van het dakvlak tegen inregenen beschermden. Deze waren versierd met een reliëf bestaande uit voluten en bladranken.


Wellicht de meest opzienbarende vondst die op Altena is gedaan, is een fragment perkament met middeleeuws handschrift. Het betreft een akte die is opgesteld naar aanleiding van een huwelijk, waarbij de bruidegom beloofde de bruidschat te voldoen zodra zijn vader was overleden.
Voor zover de tekst viel te ontcijferen luidde deze als volgt:
[Ic] .......... iszoen van Egmonde doe cond
den Eedelen Heere van Lalaing off den h[ouder desen brief]
van Bourgoingien drie hondert gouden [noblen gewicht]
..... tie wegende off pay(ement) hoire waird[e) die ic belye]
......[e]nde gelove bij mijns vrouwen eeren ende t[rouw]
[en te weten die] ..... dec .... G .....
............ eerste maand na dode mijns Vaders
........... Noblen dan daernae te betalen ..oir [drie]
Ende waert dat ic die voirs eersg.........
De gelijk voirs s...
Perkament, gevonden in een beerput uit Periode II













